Bijbelstudie

Het is bijbelstudie op DV woensdag 4 april 2012. De avond begint om 19:45. Het is de laatste bijbelstudieavond van dit seizoen.

 

Vragen bij de Bijbelstudie op DV 4 april over 1 Kor 16.

We sluiten hiermee de behandeling van de Eerste Korinthebrief af.

 

  1. Vs 1-4: Collecteren voor de noden van medechristenen, of trek het breder naar ondersteuning van kerken, scholen enz. (Catechismus vraag 55 en 103). Hoeveel moeten we hiervoor afzonderen van ons persoonlijk inkomen?
  2. Vs 7 en 12: Vindt u het nodig dat we bij het maken van al onze plannen er altijd bij zeggen: "Zo de Heere wil en wij leven"?
  3. Vs 10 - 12 Noem enkele kenmerken van Timotheus en Apollos. Ze worden verschillende keren in het NT genoemd. Waarin verschilden zij? Hoe moet volgens de apostel onze houding zijn tegenover zulke arbeiders in Gods wijngaard?
  4. Vs 13: Waakzaamheid, standvastigheid, moed en kracht zijn dingen die een gemeente nodig heeft. Noem bij elk een voorbeeld voor de praktijk van het gemeenteleven.
  5. Vs 15-18: Paulus roept op zich te onderwerpen aan hen die de gemeente leiding geven door hun vrijwillige dienst aan de heiligen. Hij schrijft dat zij erkend moeten worden. Wat zou dat in onze gemeente kunnen betekenen met betrekking tot de leidinggevenden?
  6. Vs 22  "... die zij een vervloeking. Maranatha." Wat betekent dit vers?

 


 

 

Vragen voor de bijbelstudieavond op DV 22 feb 2012 over 1 Kor 15 : 35 – 58

 

Deze keer behandelen we een tamelijk groot gedeelte, omdat er slechts enkele thema's worden uitgewerkt, nl. een uitleg over het hoe en wat van de opstanding der doden en de gevolgen die deze wetenschap moet hebben voor het leven van de gelovige.

    1. Het verheerlijkte lichaam der opstanding is hetzelfde lichaam dat in het graf is gegaan en toch is het daaraan niet gelijk (vs 35-43). Wat is hetzelfde en wat zijn de verschillen?
    2. Wat betekenen de begrippen onverderfelijkheid, heerlijkheid en kracht precies (vs 42, 43), die als eigenschappen genoemd worden voor de lichamelijke bestaanswijze van Gods kind na de opstanding?
    3. Zullen gelovigen elkaar herkennen in het rijk der heerlijkheid?
    4. Paulus herinnert de Korintiërs er steeds aan dat zij niet moeten denken dat zij nú al het natuurlijke, aardse bestaan te boven kunnen komen. Betekent dat dan dat Gods kinderen tijdens hun aardse leven veel te klagen hebben?
    5. Wat wordt bedoeld met: 'Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk van God niet beërven' (vs 50)?
    6. Wat betekent: 'De kracht der zonde is de wet' (vs 56)?
    7. Hoe zouden wij – ieder voor onszelf – overvloedig kunnen zijn in het werk des Heeren (vs 58)? Aan welke taken denkt u dan voor uzelf?

     

     


     

     

    Bijbelstudieavond op DV 18 januari 2012 n.a.v. 1 Kor. 15 : 23 – 34

    1. Waarom heet de dood de laatste vijand? (vs 26) Waarom wordt hij pas helemaal aan het eind teniet gedaan? Waaraan kunt u zien dat alle dingen nu reeds aan Christus onderworpen zijn? (vs 27)
    2. Wat betekent het als vs 28 zegt dat 'God alles en in allen zal zijn'?
    3. Hoe moeten we vs 29 uitleggen? Wat er bedoeld wordt met het gebruik om 'zich laten dopen voor de doden'? Indien van toepassing, zou dat een zinvolle gewoonte kunnen zijn, ook vandaag.
    4. Is het altijd zo dat iemand die niet gelooft in de opstanding der doden tot uitbrekende zonden vervalt ('laat ons eten en dringen en vrolijk zijn, want morgen sterven wij'). In het algemeen: kunt u voorbeelden geven dat dwalingen in de leer ook een aanleiding geworde zijn tot zedelijk verval?
    5. Betekent vs 33 ook, dat wij slecht gezelschap altijd moeten vermijden?

     

     

    1024x768 Normal 0 21 false false false NL ZH-CN X-NONE

    Vragen voor de bijbelstudieavond op 22 feb 2012 over 1 Kor 15 : 35 – 58

    Deze keer behandelen we een tamelijk groot gedeelte, omdat er slechts enkele thema’s worden uitgewerkt, nl. een uitleg over het hoe en wat van de opstanding der doden en de gevolgen die deze wetenschap moet hebben voor het leven van de gelovige.

    1.       Het verheerlijkte lichaam der opstanding is hetzelfde lichaam dat in het graf is gegaan en toch is het daaraan niet gelijk (vs  35-43). Wat is hetzelfde en wat zijn de verschillen?

    2.       Wat betekenen de begrippen onverderfelijkheid, heerlijkheid en kracht precies (vs 42, 43), die als eigenschappen genoemd worden voor de lichamelijke bestaanswijze van Gods kind na de opstanding?

    3.       Zullen gelovigen elkaar herkennen in het rijk der heerlijkheid?

    4.       Paulus herinnert de Korintiërs er steeds aan dat zij niet moeten denken dat zij nú al het natuurlijke, aardse bestaan te boven kunnen komen. Betekent dat dan dat Gods kinderen tijdens hun aardse leven veel te klagen hebben?

    5.       Wat wordt bedoeld met: ‘Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk van God niet beërven’ (vs 50)?

    6.       Wat betekent: ‘De kracht der zonde is de wet’ (vs 56)?

    7.       Hoe zouden wij – ieder voor onszelf – overvloedig kunnen zijn in het werk des Heeren (vs 58)? Aan welke taken denkt u dan voor uzelf?